Bij het afscheid van Liesbeth van Ginneken 1966-2019

8077-bij-het-afscheid-van-liesbeth-van-ginneken-1966-2019

(door Kees Weeda)

Midden jaren ’90 werd Liesbeth samen met twaalf jonge, talentvolle kunstenaars uitgenodigd door de afdeling Kunstzaken van de gemeente Rotterdam om een plan te ontwikkelen dat zou aansluiten bij hun wensen en behoeften. Liesbeth ging op de uitnodiging in en vroeg zich – kritisch als altijd – af of de gemeente er zich niet al te gemakkelijk van afmaakte. De afdeling Kunstzaken was er toch voor om te wéten wat jonge kunstenaars nodig hadden en werden die jonge talenten niet al te gemakkelijk gebruikt om een gebrek aan visie te verhullen?

Maar natuurlijk zag ze de kansen en zette ze haar schouders eronder. Een paar maanden later lag er een plan waar de gemeente niet minder dan drie miljoen gulden voor over had. De 'Droomfabriek' heette het plan en die naam kan heel goed uit de koker van Liesbeth zijn gekomen. Een gebouw met ateliers, werkplaatsen, presentatieruimten voor beeldend kunstenaars, dansers, musici en meer. Ze was er heel tevreden over.


Liesbeth was, ver voordat de overheid bij de beeldende kunstacademies was gaan aandringen op meer aandacht voor de zakelijke kanten van de beroepspraktijk, een ‘ondernemende kunstenaar’. Wie als klant, opdrachtgever of zomaar als geïnteresseerde in kunst met de kunstenaar Liesbeth in aanraking kwam leerde ook Liesbeth de ondernemer kennen. Oók als ondernemer, zeg ik er nadrukkelijk bij, want ondanks haar aandacht voor de materiële kant, was zij, eerst en voor al, kunstenaar. Consequent verzon ze titels voor haar reeksen schilderijen die aan een kant de kern van haar eigen verbeelding uitdrukte, maar waardoor aan de andere kant een geïnteresseerde koper ook een verbinding kon leggen met, laten we als voorbeeld zeggen, een gebeurtenis in zijn of haar huwelijk. Voor zulke series bedacht ze aansprekende titels als 'Warm beer/Cold women' (2000), 'Firma List en Bedrog' (2001) en natuurlijk de monumentale serie 'Painted Ladies' (2002).

Ze was ondernemend en had een scherpe artistieke blik. Met die combinatie van eigenschappen zette Liesbeth in 2001 een fantastisch project op de kaart. De stad Rotterdam was Culturele Hoofdstad van Europa, een benoeming waardoor een stad in Europa zich een jaar lang kan presenteren met vele uiteenlopende activiteiten. Liesbeth presenteerde haar plan 'Going Dutch'. Ze wilde op 23 gevels van 23 belangrijke gebouwen in de stad een gigantisch uitvergrote versie van een kunstwerk bevestigen. Reproducties van Mondriaan tot Andy Warhol. Haar idee werd omarmd en ze toog aan de slag. Met een kleine basissubsidie vanuit de organisatie Culturele Hoofdstad slaagde ze er in 23 ondernemingen en organisaties over te halen geld en een deel van hun gevel beschikbaar te stellen voor een kunstwerk. En ook hier weer was de titel een subtiele verwijzing. Misschien dat niet iedereen de Engelse uitdrukking 'Going Dutch' kent, maar ze betekent zoveel als 'ieder betaalt voor zichzelf'. De deelnemers aan het project moesten dus zelf de kosten voor het aanbrengen van de kunstwerken betalen en dat kon oplopen tot zo maar 50.000 euro per werk. Liesbeth behaalde er terecht veel publiciteit mee: het Algemeen Dagblad bracht het zelfs op de voorpagina.

Na 2004 raakte Rotterdam als inspiratiebron opgedroogd en Liesbeth vertrok naar Brussel waar ze vier jaar verbleef. Maar na vier jaar keerde ze terug naar Rotterdam. Ze ging aan de slag in de communicatie bij Arminius, het debatcentrum van Rotterdam. Ook dat tekent haar drive naar onafhankelijkheid. Als de kunst te weinig opbracht of er niet genoeg inspiratie was, zorgde ze op een andere manier voor haar inkomen. Een bewonderenswaardige opstelling in een sector waar subsidie soms de eerste bron is waaruit wordt getapt.

Liesbeth is - niet was - ze is nog steeds een kunstenaar van monumentaal, hoofdzakelijk figuratief werk. Kleur is haar vertrekpunt, vandaaruit bouwt ze naar betekenis en zet ze de inspiratie die ze haalt uit de wereld en de mensen die ze kent om in doorgaans heel grote schilderijen. Liesbeth lijkt daardoor een kunstenaar van het grote gebaar, maar als je goed naar die grote werken kijkt, zie je de tederheid waarmee de schilderijen zijn opgebouwd.

Er staat geen mens op haar schilderijen, heeft Robbert Roos eens treffend gezegd, en toch voel je hun aanwezigheid in elk werk.

Preciezer kun je de symbiose van de kunstenaar Liesbeth van Ginneken en haar werk niet typeren. Een warme, gepassioneerde kunstenaar van het grote gebaar en de precieze emotie. Een kunstenaar die liet zien hoezeer ze het leven liefhad. Het leven dat niet altijd even gemakkelijk was, maar dat zag je niet in haar werk: daar zag je het vrolijke, optimistische meisje uit Roosendaal dat naar de grote stad was gekomen om kunstenaar te worden. En daar is ze in geslaagd, ook al was ze nog lang niet klaar.

Liesbeth van Ginneken (1966) overleed op 3 juni 2019. Dinsdag 11 juni vond in Hofwijk de crematie plaats. Voor Hotel Pincoffs van Karen Hamerlynck en Edwin van der Meijde maakte Liesbeth in 2004 een schilderij van 3 x 4 meter. Ook nodigde ze zes collega's uit om samen met hen de andere suites te decoreren. Kees Weeda schreef onder de titel: 'Een paar suggestie voor de toespraak voor dinsdag' bovenstaand stuk als bijdrage aan de afscheidsrede van Edwin van der Meijde.

Foto: Liesbeth van Ginniken in 2004 aan het werk aan 'Gespreid Bedje' in de grote suite van Hotel Pincoffs. (Foto hierboven en uitsnede bovenaan artikel © Hotel Pincoffs)

Rinus Vuik :
Sommige goede verhalen worden veel te vroeg geschreven en deze 'In Memoriam' kwam hard bij mij binnen.Liesbeth, altijd goedlachs en spontaan in haar begroeting is niet meer.En toch zal ze er altijd zijn voor degenen die haar hebben gekend en haar node zullen missen.Ik wens familie en vrienden heel veel sterkte met dit enorme verlies.

vrijdag 14 jun 2019

Jana Beranová :
Wat een goed verhaal. Kees Weeda doet Liesbeth volledig recht.

woensdag 12 jun 2019

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

De mooiste gedichten van de wereld 4

50 dichters kiezen hun favoriete gedicht uit de schatkamers van Poetry International en vertellen waarom.

Jana Beranová over Vasko Popa


Een kleine hommage

Het is 1970, het 1e jaar van Poetry International.
Voor vertalingen is nog weinig geregeld. Ik lees
dat mijn landgenoot Miroslav Holub uit het Duits
is vertaald en bel op. Martin Mooij vraagt mij om
te komen. Holub kreeg van het toenmalig regiem
geen uitreisvisum. maar omdat ik ook uit andere
Slavische talen kan vertalen, bevind ik me opeens
tussen de werelddichters.

Eén kijkt me aan met van die droeve wolvenogen.
Ik wist toen nog niet dat wolven een belangrijke
rol speelden in zijn Roemeens-Servische cultuur.
Het is Vasko Popa en hij leest die avond uit
‘Spelen’ voor. Poëzie als spel met ons bestaan.
Ik lees en herlees. Tuimel van verbazing naar
verbazing. Het is Beckett, maar menselijker.
Een stoelpoot die lief gebaart! Ik zie een
keukenstoel. Allicht, fauteuils hebben armen.
Absurd. Een merkwaardige herkenning.

Van het eerste festival is op papier weinig
overgebleven, maar ‘Spelen’ zijn in mijn
vertaling opgenomen in Machine van
woorden (1975), de eerste boekuitgave
van Poetry International.

In 1974, toen hij de wolvengedichten las,
kocht ik voor hem een vaatje haringen – Popa
was dol op Hollandse nieuwe. Bij het afscheid
op Schiphol struikelde ik, het vaatje viel op de
grond en rolde naar hem toe. Hij gaf het een
tik, vaatje rolde terug en ik kon het alsnog
feestelijk overhandigen. Aan het eind van zijn
leven, hoorde ik jaren later, zat hij in winterjas
op een stoel midden in de kamer te wachten
op de dood. Dat was weer een andere stoel.



vertaling: Jana Beranová

Popa was 6x gast op Poetry International


  • Nieuw

  • Reacties