91 Rotterdammers stierven in Berlijn, sommigen eindigden op de snijtafels

8012-91-rotterdammers-stierven-in-berlijn-sommigen-eindigden-op-de-snijtafels (Door Gert van Engelen)


Vorig jaar ontvouwde deze website dat zeven Rotterdammers tijdens de oorlog in de beruchte Berlijnse gevangenis Plötzensee waren opgehangen, of misschien zelfs onthoofd. Ze hadden zich bezondigd aan kleine vergrijpen, maar de Duitsers straften ze niettemin zonder mededogen, met een wrede dood.

Naderhand begon er een eenvoudige vraag te knagen: waar zijn deze gedode Rotterdammerseigenlijk begraven? Dat blijkt helemaal niet gebeurd te zijn, is het onthutsende antwoord van prof.dr. Johannes Tuchel, directeur van de Gedenkstätte Deutscher Widerstand, een Duits verzetsinstituut in Berlijn, gevestigd aan de Stauffenbergstrasse. Met de meeste lijken is nogal oneerbiedig omgegaan, bericht hij.

Het verontrustende gegeven dat omgebrachte Rotterdammers niet eens fatsoenlijk zijn begraven, leidde ertoe dat de zoektocht werd uitgebreid. Eerst tot: zijn er Rotterdammers, als gevolg van de Arbeitseinsatz tewerkgesteld in Berlijn, die wél een graf hebben gekregen in deze vijandige stad? Later werd het: hoevéél Rotterdammers zijn er eigenlijk omgekomen in Berlijn? De actieradius van de zoektocht groeide.

Nu Rotterdam in deze meidagen de oorlogsverschrikkingen herdenkt, brengt Rotterdam Vandaag& Morgen een aanvullende reportage over de noodlottige lotgevallen van tientallen, veelal jonge Rotterdammers die er uitgeput stierven. Meestal na ontberingen die ze als dwangarbeider hadden moeten doorstaan.


Plötzensee, nog onverminderd een strafgevangenis, was in de Tweede Wereldoorlog een luguber oord. Tussen 1933 en 1945 zijn er 2891 mensen onthoofd en opgehangen: ‘gewone’ moordenaars, maar ook politieke tegenstanders van het nazi-regime en veroordeelde, buitenlandse dwangarbeiders. Onder deze geëxecuteerden bevonden zich 35 Nederlanders, en onder hen zeven Rotterdammers. Hun namen staan in het achtergrondverhaal dat RV&M op 27 augustus vorig jaar op deze website plaatste. Zie: http://www.vandaagenmorgen.nl/index.php/gisteren/7455-zeven-rotterdammers-opgehangen.html), die hier nogmaals worden genoemd: Jan Hoorn, Jan Cornelis van Schaik, Willem Vreeswijk, Ludovicus Jansen, Jacobus Rens en Dirk Johan de Ronde.

Drie van deze Rotterdammers werden op een en dezelfde dag gedood, op 7 september 1943, de vier overigen op andere tijdstippen. Het gebeurde in de bakstenen executieschuur die er ook nog altijd is, en die tegenwoordig een plek van herinnering is: de Gedenkstätte Plötzensee. Volgens de website van deze gedenkplaats zijn de Rotterdammers inderdaad ‘unjustly’ ter dood veroordeeld, hun misstappen rechtvaardigden deze ultieme straf allerminst– wat nabestaanden niet zal troosten.

Bij een hernieuwd bezoek aan Berlijn ontstond het voornemen de graven op te zoeken, en te fotograferen, van de zeven vergeten Rotterdammers, als een klein eerbetoon. Berlijn, destijds de Reichshauptstadt van het kwaad, telt duizenden oorlogsgraven, verspreid over vele wijken. Aangenomen mag toch worden, zo werd verondersteld, dat de Rotterdammers tenminste ná hun overlijden met een zeker respect zijn behandeld, zoals in Nederland met dode Duitse soldaten is gebeurd.

Anatomie
Opnieuw werd contact gezocht met de GedenkstätteDeutscher Widerstand, een onderzoeksinstituut dat het verzet in Duitsland documenteert. Deze instantie had eerder gedetailleerde informatie kunnen verstrekken over de executies in Plötzensee. Directeur prof. dr. Johannes Tuchel moest de verslaggever terstond teleurstellen: er ís geen graf gegraven voor de zeven Rotterdammers. ‘De lijken van Plötzensee’, deel hij mee, ‘werden overhandigd aan studenten anatomie.’

De executies werden meestal vroeg in de ochtend voltrokken. Een onthoofding duurde slechts ‘enkele seconden’. Vervolgens werd een officieel rapport opgemaakt over de executie en gingen de dode lichamen naar het Instituut voor Anatomie en Biologie van de Friedrich Wilhelm Universiteit. In de snijzalen konden studenten vervolgens hun broodnodige kennis en handvaardigheid opdoen door in de overschotten te snijden. De lijken, voegt Tuchel nadrukkelijk toe, werden niet voor medische experimenten gebruikt.

Zodra de studenten geneeskunde hun snijwerk hadden gedaan, werden de lichamen naar een crematorium vervoerd. Tuchel, afsluitend: ‘De meeste vermoorden van Plötzensee hebben geen graf gekregen. Dit geldt leider auch für Dirk de Ronde.’ Hun as werd, anoniem, ‘begraven’ op verschillende Berlijnse begraafplaatsen.

Boek
In 1996, in het pré-internettijdperk, is in Duitsland een uitputtend naslagwerk verschenen over Niederländer und Flamen in Berlin 1940-1945, dat als ondertitel heeft: KZ-Häftlinge, Inhaftierte, Kriegsgefangene und Zwangsarbeiter. De executies van Plötzensee worden er uiteraard in vermeld, met naam en toenaam. Maar een andere verdienste van het boek is dat het de begraafplaatsen opsomt die Berlijn heeft ingericht voor omgekomen of omgebrachte Nederlanders en Belgen, vaak óók met allerlei persoonlijke details en de locaties van de graven. Dat vergemakkelijkt het opzoeken nogal.

Soms zijn de graven intussen alweer geruimd. En er zijn lichamen verhuisd. Het is bijvoorbeeld bekend dat er in 1948 in Loenen bij Apeldoorn een Nationaal Ereveld is gekomen. Daar zijn de stoffelijke resten herbegraven van Nederlanders die in de oorlog in Duitsland hun einde hadden gevonden. De Oorlogsgravenstichting heeft dit ereveld aangelegd. Ruim 4000 Nederlanders hebben er een plaats gekregen. Van hen zijn er 103 ongeïdentificeerd gebleven. Maar kortgeleden maakte het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) bekend dat het er aan de hand van dna-monsters in was geslaagd alsnog de identiteit van zes mensen vast te stellen, na 74 jaar.

Een voorbeeld van geruimde graven in Berlijn is de begraafplaats in Heiligensee. Hier stonden volgens het boek drie kruizen ter nagedachtenis aan des Krieges verstorbenen Belgier, Franzosen und Niederländer. Op de begraafplaats van de St.-Hedwigs-Gemeinde in de wijk Hohenschönhausen is nog steeds de gedenksteen te vinden, die herinnert aan de 102 Belgen en Nederlanders die als krijgsgevangenen of als dwangarbeiders naar Duitsland verschleppt wurden en in Berlijn stierven. In het Noord-Duitse Lübeck bevindt zich aan de Friedhofsallee een ereveld met een gedenksteen voor de 242 Nederlanders die in West-Berlijn het leven lieten, zoals zich ook in Frankfurt am Main een Nederlands ereveld bevindt aan de Burgenlandweg.

Vijf
Bestaan er anno 2019 in Berlijn nog graven van Rotterdammers? Graven die niet geruimd zijn, graven ook van Rotterdammers die inmiddels volkomen in de vergetelheid zullen zijn geraakt? Ook hierover geeft het boek uitsluitsel, en ten behoeve van dit artikel, werd geprobeerd deze graven op te sporen, rondtrekkend met de metro en stadsbussen.

Vijf namen noemt het boek, dat is uitgegeven door de stichting Holländerei en de Freunde des Hendrik Kraemer Hauses e.V/Niederländische Ökumenische Gemeinde. Het zijn andere namen dan de veroordeelden van Plötzensee. Op de begraafplaats Städtische Friedhof aan de Gudrunstrasse 20 in Lichtenberg zijn ter aarde besteld: slagersknecht Arie Heijmans (26.10. 1921- 27.1.1944) en schilder Reindert Hooijberg (25.3.1920- 17.7.1943). De vakken waarin hun stoffelijke overschotten zijn neergelegd, zijn via de website van de Oorlogsgravenstichting op te roepen (2 B7 2 en 2 B1-10), maar hun graven werden niet teruggevonden.

Op de begraafplaats Pankow II aan de Gaillardstrasse 8-12 in de gelijknamige wijk bleek het graf van kantoorbediende Gerard Cornelis Visser (29.1.1919 – 6.6.1941) nog aanwezig te zijn. Het kleine steentje met zijn naam ligt in een groot veld met honderden gelijkvormige steentjes, slechts na eindeloos zoeken vindbaar.

Onvindbaar is daarentegen Pieter Moog (26.1.1919 – 6.6.1941). Hij is begraven op de Städtische Friedhof Altglienicke aan de Schönefelder Chaussee 100 in Treptow. Maar in een rij van steentjes bedoeld voor joodse gevangenen ontbreken vijf steentjes, zodat het niet meer mogelijk is het graf van Moog te lokaliseren. Pieter Moog is zijns ondanks een ‘buitengewoon’ oorlogsslachtoffer: hij is de enige jood onder de Rotterdammers die in Berlijn zijn doodgegaan.

Het vijfde slachtoffer is fabrieksarbeider Cornelis van Gils (25.11.1922 – 8.4.1944). Hij is terechtgekomen op de begraafplaats die eerder is genoemd: St. Hedwig/St. Pius Friedhof aan de Konrad-Wolf-Strasse 31-31 in Höhenschönhausen. Hier is evenwel slechts een gedenksteen aangetroffen voor de 195 omgekomen Belgen en Nederlanders, er zijn geen individuele graven meer. (Waar het boek nog een foto toonde met het getal ‘102’, staat nu op de steen ‘195’.) Al met al is van de vijf slechts één steentje hervonden, de overige zijn vergaan of (op)geruimd. Of hun as werd uitgestrooid over een verzamelveld.

Foto 1: De executieschuur van Plötzensee. Wie was opgehangen of onthoofd, werd kort daarna vervoerd naar het Anatomie-instituut. (Foto Gert van Engelen)

Lijst
Bij de tot nog toe genoemde twaalf Rotterdammers die in Berlijn eindigen, is het in de oorlog niet gebleven. In totaal zijn er tientallen omgekomen. Op de website van de Oorlogsgravenstichting worden ze tegenwoordig simpel oproepbaar allemaal vermeld, en consequent ook als oorlogsslachtoffer. Lastig is alleen dat ze niet bij elkaar staan, als overledenen van Berlijn. De website heeft ze ondergebracht in de stadsdelen waar ze blijkbaar sneefden. Voor dit verhaal zijn alle geboren Rotterdammers echter bij elkaar gevoegd op een lijst, die hierna volgt. Dat het er tientallen zijn, hoeft nauwelijks verbazing te wekken. Volgens dr. Loe de Jong, die het 14-delige standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog schreef, zijn ruim 500.000 Nederlandse mannen in Duitsland tewerkgesteld, in het kader van de Arbeitseinsatz. De arbeidsomstandigheden in de oorlogsindustrie waren soms ronduit erbarmelijk. Naar schatting hebben zo’n 30.000 dwangarbeiders hun verblijf niet overleefd, door ziekte, ondervoeding, bombardementen, ongelukken en slechte huisvesting.

Volgens De Jong waren deze Nederlanders niet allen een slachtoffer van de arbeidsinzet. Ver over de honderdduizend van hen hadden naar zijn constatering uit eigen initiatief contact opgenomen met Duitse bureaus of Nederlandse gewestelijke bureaus. Door dit onderscheid −velen werden gedwongen, maar ook velen gingen vrijwillig– werden ex-dwangarbeiders bij terugkeer lang gewantrouwd.

Trouw, in een artikel op 30 mei 1996: ‘Dwangarbeiders werden gezien als een soort lafaard.’ De Volkskrant, 11 mei 1996: ‘Duitslandgangers werden ze na de oorlog genoemd, een naam die hen als een vloek in de oren klonk.’ En: ‘Ze werden [ na de repatriëring] met eieren bekogeld, als SS’ers behandeld, als heulers met de vijand. Vrienden wilden niets meer van hen weten, bij sollicitaties visten ze opvallend vaak achter het net.’

Monument
Door dit aureool van halve collaboratie werden ex-dwangarbeiders een vergeten groep. Pas op 29 mei 1996, na 51 jaar, kwam er een monument, dat voor hen voelde als een (late) erkenning als slachtoffers van de nazi-terreur. Het monument staat in het oorlogsmuseum in Overloon en behelst vijf in brons gegoten mannenfiguren zonder armen. Elk figuur symboliseert zo onmacht en afhankelijkheid en staat voor 100.000 dwangarbeiders. De beelden zijn ontworpen door de Dordtse kunstenaar John Brandon en onthuld door minister Els Borst. Op een zwartgranieten plaat staat het laatste vers van het gedicht ‘Herdenking’ van de arbeiderdichter én ex-dwangarbeider Wim de Vries uit Puttershoek: ‘Straks gaan wij weer terug naar het heden. En hoe men ’t wendt of keert of plooit: wij zullen veel moeten vergeven. Vergeten doen we echter nooit.’

Voorzitter A. Pontier van de Vereniging van ex-Dwangarbeiders Nederland Tweede Wereldoorlog (VND) zei bij de onthulling: ‘Weinigen realiseren zich dat de dwangarbeiders in Nederland tot een van de zwaarst getroffen groepen behoren. Het blijft ons verbazen dat onze vaderlandse geschiedenis na 1945 zo weinig aandacht heeft geschonken aan het fenomeen dwangarbeid.’In diezelfde maand hield de stichting Holländerei in Berlijn een symposium, waarbij het boek werd gepresenteerd dat het lot van Nederlanders en Vlamingen in Berlijn beschrijft. De organisatoren waren Johan Meijer en Diete Oudesluijs, twee Nederlanders die al decennia in Berlijn wonen en werken, aldus de Volkskrant.

Vrouwen
De lijst van omgekomen Rotterdammers omvat voor het grootste deel mannen, maar er komen ook vier vrouwen op voor. Het is niet bekend wat hen in Berlijn heeft doen belanden. Verder zijn vrijwel alle slachtoffers vrij jong: twintiger, dertigers, er zijn zelfs 19-jarigen onder hen. Maar oudere Rotterdammers staan er ook tussen, veertigers. Het oudste slachtoffer is een vrouw, 55 jaar oud.Verder valt op dat nogal wat slachtoffers in het zicht van de bevrijding zijn overleden, een gebeurtenis die zij natuurlijk niet konden voorzien.

Achter zeven namen van de 91 namen staat een kruisje. Dit betekent dat deze personen zijn herbegraven op het Nationaal Ereveld in Loenen. De overigen zijn in Berlijn, en elders in Duitsland, eenzaam achtergebleven.

Lijst van geboren Rotterdammers overleden in Berlijn: 91 personen

Jan Allewijnse, 28.5.1917 – 19.4.1943, 25 jaar, conducteur
Arie Arnout, 19.3.1925 – 27.2.1945, 19 jaar, tuindersknecht
Jan Bakker, 29.7.1923 – 6.10.1944, 21 jaar, meubelmaker
Teunis Bal, 17.11.1922 – 2.12.1944, 22 jaar, magazijnbediende
Hendrik Pieter Bazuijnen, 27.3.1918 – 13.11.1944, 26 jaar, kelner x
Jan Bazuijnen, 23.12.1923 – 26.11.1943, 19 jaar, expeditieknecht
Willem Johannes Been, 3.9.1923 – 1.5.1945, 21 jaar, instrumentmaker
Jacques Jan van Belle, 12.2.1922 – 4.5.1945, 23 jaar, magazijnbediende x
Cornelis Albertus van Beugen, 28.2.1923 – 22.8.1945, 22 jaar, sergeant tolk
Geertruida Charlotte Bevers, 25.5.1911 – 16.6.1945, 34 jaar, serveerster

Theodorus van Blerkum, 9.12.1902 – 6.10.1944, 41 jaar, radiomonteur
Johannes Woutherus Blok, 9.10.1918 – 13.2.1942, 23 jaar, zeeman
Johannes Marinus Boogaard, 29.1.1906 – 26.7.1944, 38 jaar, olieman
Marinus Johan Frederik den Breejen, 17.7.1909 – 22.4.1945, 35 jaar, los werkman
Pieter van den Broek, 27.11.1913 – 26.11.1943, 29 jaar, vleeshouwer
Hendricus Jacobus Brons, 1.3.1922 – 2.4.1944, 22 jaar, student
Cornelia Buitelaar, 20.10.1913 – 4.1.1945, 21 jaar, geen beroep vermeld
Willem van Buren, 29.1.1889 – 18.3.1943, 54 jaar, fabrieksarbeider
Maria Cornelia Francisca Butz-de Groot, 24.3.1888 – 21.11.1943, 55 jaar, geen beroep
Jan Willem Capel, 5.3.1909 – 10.3.1945, 36 jaar, chauffeur

Frederik Wilhelmus Clemens, 20.8.1918 – 8.9.1943, 25 jaar, magazijnknecht
Martinus van Deutekom, 2.11.1903 – 24 april 1945, 41 jaar, slager
Mees van Driel, 26.7.1914 – 26.11.1943, 29 jaar, pianomonteur
Gerardina Johanna van Eck, 29.10.1873 – 30.3.1943, 69 jaar, geen beroep
Aalt Elderbroek, 10.11.1915 – 29.4.1945, 29 jaar, kalkbrander
Pieter Gerardus Esveld, 8.4.1024 – 3.2.1945, 20 jaar, hulpbesteller
Bob Fles, 18.4.1924 – 26.7.1944, 20 jaar, kantoorbediende
Marinus Willem Franse, 3.5.1917 – 16.12.1943, 26 jaar, expeditieknecht
Marinus Gerardus Gelens, 13.1.1922 – 21.8.1943, 21 jaar, magazijnbediende
Cornelis van Gils, 25.11.1922 – 8.4.1944, 21 jaar, fabrieksarbeider

Leendert Arie Glimmerveen, 29.7.1909 – 13.7.1942, 32 jaar, geen beroep x
Johannes Arie Goedendorp, 21.9.1921 – 6.10.1944, 23 jaar, typograaf
Johanna Louisa van Gorkom, 10.1.1915 – 24.4.1945, 30 jaar, verpleegster
Hendrikus Martinus Gunnewegh, 19.1.1918 – 28.3.1945, 27 jaar, winkelbediende
Johannes Antonius Leo Ham, 26.7.1909 – 26.9.1942, 33 jaar, wagenmaker x
Arie Heijmans, 26.10.1921 – 27.1.1944, 22 jaar, slagersknecht
Marinus Christinus Hess, 24.7.1921 – 10.6.1945, 23 jaar, instrumentmaker
Marinus Hermsen, 28.6.1920 – 28.3.1945, 24 jaar, huistimmerman
Johann Joseph Herrendorf, 2.4.1895 – 18.5.1940, 45 jaar, expediteur
Coenraad Hendrik Bernardus van den Heuvel, 1.4.1917 – 4.7.1943, 26 jaar, verkoper

Joseph Hoege, 19.7.1915 – 20.5.1944, 28 jaar, aannemer
Antonius Johannes Hofman, 5.7.1913 – 26.4.1945, 31 jaar, kantoorbediende
Jacob Hofland, 28.11.1897 – 20.1.1944, 46 jaar, chauffeur
Reindert Hooijberg, 25.3.1920 – 17.7.1943, 23 jaar, schilder
Willem Jansen, 9.4.1919 – 6.2.1945, 25 jaar, slager
Jozephus Maurice de Jong, 6.10.1898 – 19.4.1941, 42 jaar, geen beroep
Arie Frederik Koelewijn, 17.8.1920 – 3.2.1945, 24 jaar, boekbinder
Joseph Kommené, 13.11.1918 – 13.8.1944, 25 jaar, fabrieksarbeider
Arie Kort, 4.11.1911 – 26.11.1943, 32 jaar, incasseerder
Johannes Kortland, 27.10,1921 – 26.2.1944, 22 jaar, geen beroep

Henri Kranenburg, 9.3.1906 – 30.4.1945, 39 jaar, typograaf
Hermanus Cornelis Kriek, 29.8.1901 – 3.3.1945, 43 jaar, havenarbeider
Antonie Kruijskamp, 29.3.1914 – 6.10,1944, 30 jaar, expeditieknecht
Pieter George Legerstee, 8.5.1923 – 1.3.1945, 21 jaar, schilder
Willem de Ligt, 22.7.1923 – 25.4.1945, 21 jaar, grondwerker
Willem Maas, 30.12.1918 – 27.11.1944, 25 jaar, matroos koopvaardij
Cornelis van der Maas, 13.8.1923 – 2.5.1945, 21 jaar, timmerman
Pieter Moog, 26.1.1919 – 6.6.1941, 22 jaar, schippersknecht
Pieter Mosterdijk, 9.3.1920 – 27.4.1943, 23 jaar, arbeider
Willem Munter, 17.6.1922 – 18.9.1942, 20 jaar, bankwerker-hand

Johannes Wilhelmus Naninck, 29.8.1916 – 12.5.1943, 26 jaar, perser in kledingbedrijf
Adrianus Benedictus van de Noort, 29.4.1912 – 30.4.1945, 33 jaar, expeditieknecht
Bastiaan Nugteren, 5.12.1922 – 1.8.1945, 22 jaar, kantoorbediende
Pieter Anthonis van Oort, 1.11.1912 – 13.10.1943, 30 jaar, bouwvakarbeider
August Peters, 17.4.1894 – 19.11.1942, 48 jaar, lid verzet
Johannes Lambertus Cornelis Philip, 6.8.1913 – 26.2.1945, 31 jaar, broodbezorger
Silvinius Antonius van der Poort, 13.3.1901 – 3.2.1945, 43 jaar, boekhouder
Gerrit Leendert Punt, 25.3.1914 – 31.5.1945, 31 jaar, automonteur
Jacob Romijn, 10.9.1919 – 24.4.1945, 25 jaar, opperman
Bastiaan de Ruiter, 16.6.1893 – 3.2.1945, 51 jaar, los arbeider

Johannes Bernardus Saathoff, 13.4.1921 – 13.9.1945, 24 jaar, huisschilder
Johannes Anthonius Wilhelmus Schellens, 6.4.1914 – 22.2.1944, 29 jaar, huisknecht
Wilhelmus Johannes Cornelis Smit, 29.5.1903 – 26.11.1943, 40 jaar, sjouwer
Hendrik Jan Smitshoek, 20.8.1922 – 21.4.1944, 21 jaar, machinebankwerker
Hendrik van der Spek, 6.6.1913 – 21.5.1941, 27 jaar, los werkman
Dirk van Steenhoven, 23.12.1900 – 27.2.1944, 43 jaar, kantoorbediende
Johan Aaldrik Stijkel, 8.10.1911 – 4.6.1943, 31 jaar, student
Adrianus Cornelis van Toor, 22.3.1914 – 27.1.1944, 29 jaar, kleermaker x
Johannes Adrianus van Toorn, 4.6.1914 – 23.11.1943, 29 jaar, elektrotechnicus
Adriaan de Vos, 14.11.1920 – 27.4.1945, 24 jaar, postbeambte

Jan Witkop, 3.3.1923 – 21.6.1944, 21 jaar, student
Adrianus Verhoeks, 1.2.1921 – 15.11.1942, 21 jaar, los arbeider
Gerard Cornelis Visser, 29.1.1920 – 5.5.1945, 25 jaar, kantoorbediende
Johannes Willem Visser, 2.11.1902 – 4.12.1943, 41 jaar, geen beroep
Theodorus Adrianus van Vliet, 5.11.1900 – 16.12.1943, 43 jaar, broodbezorger
Dirk Cornelis de Vries, 22.10.1912 – 4.2.1945, 32 jaar, soldeerder
Pieter Wervers, 12.4.1923 – 6.11.1944, 21 jaar, geen beroep
Gijsbertus Westerwaal, 23.2.1917 – 26.11.1943, 26 jaar, expeditieknecht
Abraham van Wijnen, 1.4.1920 – 6.5.1944, 24 jaar, metaalslijper x
Hendrik Pieter van IJperen, 16.9.1897 – 14.1.1943, 45 jaar, chauffeur x

Wilhelmus Philippus Zom, 28.12.1906 – 24.4.1945, 38 jaar, meubelmaker


Foto 2: Een affiche waarmee arbeiders naar Duitsland werden gelokt. Volgens dr. Loe de Jong zijn er ruim 100.000 uit vrije wil gegaan, 400.000 werden gedwongen. Die laatsten waren geenszins tevreden. (Foto Verzetsmuseum)

Foto 3: Op de begraafplaats St. Hedwig/St. Pius aan de Schönefelder Chaussee staat een gedenksteen voor de 195 Belgen en Nederlanders die in Berlijn zijn gestorven. Individuele graven zijn er niet. (Foto Gert van Engelen)

Foto 4: Dit is het enige steentje, gewijd aan een Rotterdammer, dat nog is teruggevonden, op de begraafplaats Pankow II in Pankow. Het ligt temidden van honderden andere, die alle dezelfde vorm hebben. (Foto Gert van Engelen)

Foto 5: De grafsteen voor Pieter Moog, het enige joodse oorlogsslachtoffer onder de Rotterdammers, is niet meer te vinden. Vijf stenen ontbreken in deze rij op de begraafplaats Altglienicke. (Foto Gert van Engelen). N.B. Kopfoto boven dit artikel is een uitsnede van deze foto.

Marcel de Ronde :
Hartstikke bedankt Gert. Weer een aantal stukjes van de puzzel inzichtelijk verkregen.
Het zogenaamde instituut, waar anatomielessen werden verkregen via de lichamen van de slachtoffers was mij al bekend.
Het instituut stond of staat nog vermeld op YouTube in vervallen en verlaten staat.
Een aantal jongeren hebben er nog stiekum een filmpje opgenomen.
Het instituut is verhuisd.
Enige tijd geleden is er nog een berichtgeving geweest over de teruggave van de stoffelijke resten van een bepaald slachtoffer aan de Nazaten.













woensdag 15 mei 2019

Jan Tak :
Foto 2: Een affiche waarmee arbeiders naar Duitsland werden gelokt. Volgens dr. Loe de Jong zijn er ruim 100.000 uit vrije wil gegaan.

Nou dat laatste valt nog te bezien. Eind jaren dertig hadden we veel werklozen, de haven lag stil en investeringen bleven uit. Daarom sloot onze Regering reeds in 1937 een overeenkomst met de Duitsers om werklozen daar te werk te stellen. Tja waarom niet we zouden toch neutraal blijven :-(( en bovendien hadden velen, o.a. Wilhelmina, aandelen Krupp en Thyssen via de Rotterdamse Bank voor Handel en Scheepvaart. (Zoek daar op)

Veel keus kregen deze arme ww'ers niet, niks vrijwillig je ging en anders kreeg je gezin geen uitkering, die kregen in ,40 de bommen op de kop.


donderdag 09 mei 2019

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Aforismen 2: Oscar Wilde (1854 – 1900)


(Door Kees Versteeg)

Oscar Wilde was een schrijver van Ierse afkomst, die aan het eind van de negentiende eeuw de leider werd van een esthetische cultus; zijn credo luidde l'art pour l'art – kunst om de kunst. In zijn werk wemelt het van de aforismen. Voordat hij als toneelschrijver doorbrak strooide hij al met geestige aforismen op bijeenkomsten van de Londense society. Na een succesvolle reis naar Amerika in 1882 werd hij volgens sommigen de eerste popster uit de wereldgeschiedenis. Maar de geaffecteerde dandy riep ook veel weerstand op. Na een beroemd geworden proces in 1895 werd hij gevangen gezet voor het in de praktijk brengen van zijn homoseksualiteit. In 1900 stierf hij totaal verarmd in Parijs. Hij ligt naast tal van andere beroemdheden begraven op het Cimetière du Père-Lachaise, de grootste begraafplaats van Parijs.

Men moet altijd een tikje onwaarschijnlijk zijn.

De prettigste mensen zijn mannen met een toekomst en vrouwen met een verleden.

Het is monsterachtig hoe mensen tegenwoordig allerlei dingen achter iemands rug zeggen die volkomen waar zijn.

Een cynicus is iemand die overal de prijs, en nergens de waarde van kent.

  • Nieuw

  • Reacties