Nimmer meed ik Timmer

Het moet gezegd worden. Het was Henk Donia die mij als piepjong journalist café Timmer aan de Rotterdamse Oude Binnenweg binnenloodste.


De toen bijzonder norse kastelein Gerrit Timmer weigerde mannen met baarden, tolereerde nauwelijks vrouwen en schonk uit principe geen koffie. Later werd dat toch anders toen het echtpaar Klaas en Sjaan Duister de zaak overnamen. Timmer werd steeds meer een ontmoetingsplaats van journalisten, beeldende kunstenaars, acteurs, soms zwendelaars maar ook gewone havenarbeiders, timmerlieden en andere beroepsgroepen die met hun handen werkten.


Een van de meest welbespraakte stamgasten was Piet van den Oudenalder. Klein van stuk maar rap van tong. In de ochtenduren maakte hij een kleine actuele tekening voor de voorpagina van het toenmalige Rotterdamsch Nieuwsblad en soms ook een andere illustratie. Na gedane arbeid begaf hij zich rond het middaguur naar Timmer, waar hij tegen half zes in de middag gevuld met jenever naar de tram wankelde, richting huis.

Zo rond een uur of vier in de middag was hij op zijn best. Daarna meestal onverstaanbaar.

Hij noemde zichzelf: ,,Gods eigen weeffoutje,” maar voegde daar ook aan toe: ,,Mijn boekenplank leunt door van de trouwboekjes.”

Kwam er een aardig meisje binnen was zijn tekst: ,,Dag kindje. Ik zie het al. Gods adem is over jouw gezichtje gegaan.”


Wanneer wij jonge journalisten het hadden over onze geringe salarissen sprak hij met stemverheffing: ,,Armoede, jullie weten niet wat echte armoede is. Wij woonden met vader en moeder en twaalf kinderen zo klein dat we noodgedwongen iedere dag schol moesten eten en plat praten.”

Vlak voor hij de zaak verliet gaf hij nauwelijks verstaanbaar aan ,,nog even een oud vrouwtje te gaan versieren.”

,,Hoe doe je dat dan Pietje?” was onze vaste vraag.

,,Ik verberg me in de tuin van het bejaardenhuis en doe het geluid na van een ons kersenbonbons. Ze stormen naar buiten.’’


twan nijssen :
Het is tijd om deel drie van de voorlopige trilogie van Timmer eens uit te brengen https://www.facebook.com/photo.php?fbid=440753259310148&set=a.233516073367202.75211.100001264339292&type=1&theater

zaterdag 22 sep 2012

twan nijssen :
Beste geert Jan,
als dit bladzijde een is van je memoires over Timmer,
schrijf ik nu in voor de verzamelde bundel...
Wanneer komt tie uit?

vrijdag 24 aug 2012

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Trouwringen bij caféruzie

(Door Jim Postma)

Tijdens mijn inmiddels duizenden cafébezoeken in deze stad maakte ik heel wat caféruzies mee. Koning Alcohol was en is daarin meestal de boosdoener. Zo was ik ooit getuige dat in ons bekend café ‘De Schouw’ aan de Witte de Withstraat een barbaarse ruzie ontstond over een gokautomaat. Een toen nog jonge collega van mij, Piet Koster van Het Vrije Volk, werd in het conflict door een brute dronkenman neergeslagen. Met een bloedend gezicht lag hij op de grond.

Pas later bleek dat die lafhartige klap (onze Piet kon zich amper of niet verdedigen) zijn grootste geluk ter wereld werd. Op de gokkast zelf won hij namelijk - zoals zo velen - amper wat of niets. Toen hij op dat moment uitgestrekt lag, ontfermde zich een onbekende schone jonge dame over hem. Zij hielp hem overeind en verzorgde zijn wonden. Het werd liefde op het eerste gezicht. Piet en Vera trouwden later met elkaar, kregen kinderen en het werd tot in de lengte van dagen één groot stralend huwelijk…

Na die gemene rot klap heeft Piet overigens nooit meer op een gokkast gespeeld. Zo wijs was hij wel. Liefde en geluk zijn namelijk nooit te winnen op zo’n duivelse, vaak verslavende, kast. Inmiddels is mijn goede collega van destijds, dus Piet Koster, al weer enkele jaren geleden overleden.

Kemphanen
Recent was ik weer getuige, nu in café Centraal aan de Zwartjanstraat, van zo’n onbenullige caféruzie. Toevallig zat ik met mijn barkruk tussen de twee kemphanen in. Het ging om een gepensioneerde zwaarlijvige slager en een gesjeesde filosoof met een grote grijze bromsnor. De aanleiding van de barruzie was de leesbril van de overigens homofiele slager. Vervolgens gingen zij elkaar uitmaken voor ‘rotte vis’, zoals je ziet in de strips van Astrix en Obelix.

In hun scheldkanonnade werd zelfs God meerdere malen vervloekt. Totdat barkeepster Yvonne de boel probeerde te sussen door te zeggen: ‘God bestaat helemaal niet!’

De beide kemphanen werd hierdoor even de mond gesnoerd. Toen zei Yvonne: ‘God zit in jezelf..’ De filosoof dacht even na en zei toen aarzelend: ‘O, Die zit dus in je hersenen.’

Waarop de slager opnieuw begon met: ‘Dan zit Die zeker niet in jou. Want jij hebt helemaal geen hersenen!’

Nu ontplofte de filosoof tegen de slager, met: ‘Weet je wat jij bent hè. Een vuile vieze ruige varkenspoot.’

Op dat moment stond ‘Ruud de glazenwasser’ op. Een krachtpatser met het figuur van Jerommeke uit Suske en Wiske.

Onderweg naar de café-uitgang sprak hij vredelievend met zijn bekende gulle lach:

‘Heren, heren toch! Ben zo weer terug. Ik ga even twee trouwringen voor jullie halen!’


  • Nieuw

  • Reacties