Het verhaal van het oudste stoomgemaal

In de Rotterdamse stadswijk Blijdorp is tussen 2004 en 2010 een spectaculair technisch project gerealiseerd: De aanleg van een tunnel die het Centraal Station verbindt met het bestaande spoorwegtracé van de oude Hofpleinlijn tussen Rotterdam en Den Haag. De tunnel is gemaakt met de modernste boortechniek en ligt op het diepste punt ruim twintig meter onder NAP. Voordat met boren kon beginnen werd vastgesteld dat in het tunneltracé zich een opmerkelijke hindernis bevond.


Even ten noorden van het geplande station Blijdorp stuitte men op circa drie meter onder het maaiveld op een fundament van een bakstenen gebouw dat op een enorm aantal houten palen rustte. Het werd al snel duidelijk dat het hier ging om een stoomgemaal dat aan het einde van de achttiende eeuw aan de rand van de toenmalige polder Blijdorp heeft gestaan. Uit onderzoek van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van de dienst Gemeentewerken Rotterdam bleek dat het hier ging om niet alleen de eerste stoommachine van uitvinder James Watt die buiten het Verenigd Koninkrijk in gebruik was genomen, maar ook het eerste stoomgemaal ter wereld.

In die tijd woedde een kleine burgeroorlog in Nederland. De zeer Oranje gezinde boeren, die zich niet konden voorstellen dat iets anders dan windmolens de polder droog zou kunnen houden noemden de plannen dan ook: ‘Het keezenzending in de Blijdorppolder’. Zij doelden daarmee op de Rotterdamse initiatiefnemers,die als patriotten anti-Oranje waren en werden uitgemaakt voor ‘de Keezen’. Die initiatiefnemers waren vrijwel allemaal lid van het Bataafsch Genootschap te Rotterdam dat inderdaad nauwe persoonlijke banden had met de patriotten.

Het archief van dat Bataafsch Genootschap is bij het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 helemaal verloren gegaan. Maar gelukkig is de correspondentie tussen James Watt en de Rotterdammers in de archieven van de fabriek van Watt in Engeland geheel intact aangetroffen.

Zo schreef James Watt aan J.D. Huichelbos van Liender op 18 juli 1775 in antwoord op een verzoek van de Rotterdammer om nadere leveringsvoorwaarden het volgende: ,,Voor klanten in het Verenigd Koninkrijk geldt het volgende. De besparing in brandstof wordt geschat door het effect van 100 pond kolen te vergelijken met dat van 100 pond in een vuurmachine naar keuze. Deze besparing wordt dan door drie gedeeld, twee derde is voor de gebruikers en het andere derde deel betalen ze aan mij zolang de machine wordt gebruikt of het octrooi van kracht blijft.’’


Deze zelfde voorwaarden zullen ook voor Rotterdam gelden, maar in een latere brief twijfelt James Watt toch weer over de haalbaarheid in Nederland. Op 29 maart 1785 schrijft hij: ,,Wij hebben in eigen land met onze machines veel tegenwerking gehad. Daarom zijn wij zeer terughoudend de strijd aan te gaan met de vooroordelen die het mensdom koestert, in het bijzonder omdat uw land een diepgewortelde afkeer aan de dag heeft gelegd voor stoommachines in het algemeen. Niettemin als u slaagt op bevredigende wijze onze twijfels weg te nemen dan geeft dat vertrouwen en zal waarschijnlijk de doorslag geven bij het aanvaarden van uw voorstellen.''

In september 1786 kwam het gemaal in bedrijf. Bij elke slag werd 3000 liter water opgevoerd naar de Schie. Drie keer zoveel als de oude windmolen in de polder Blijdorp. Een triomf was toen in november 1787 na langdurige regenval en het afbranden van een windmolen ook de polder Cool (nu Coolsingel) onderliep.

Het Blijdorpse gemaal kreeg het gehele gebied binnen korte tijd onder het zomerpeil. Zelfs de boeren moesten toegeven dat het een verbetering was. Het einde van het gemaal kwam zo rond de jaren dertig vorige eeuw toen in Rotterdam-Zuid de gigantische Waalhaven werd gegraven en het vrijgekomen zand de noordelijke polders en het gemaal bedekte.

In 1987 werd de twee honderd jarige verjaardag van de in werkingstelling van het gemaal gevierd met een tentoonstelling in de Dubbelde Palmboom in Delfshaven. Het grootste deel van de kosten daarvan, ook van de hapjes en de drankjes, werd betaald door het nog steeds bestaande Bataafsch Genootschap te Rotterdam.


(Uitgave in de kleine serie historische publicaties van het Rotterdamse historische genootschap Roterodamum. Auteurs: Remmelt Daalder, Nora Schadee, Willem Boon, Ton Guiran en Marco van Trierum.

In het StationBlijdorp inRotterdam is thans een expositie op panelen over het hele project te bewonderen.)


Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

Trouwringen bij caféruzie

(Door Jim Postma)

Tijdens mijn inmiddels duizenden cafébezoeken in deze stad maakte ik heel wat caféruzies mee. Koning Alcohol was en is daarin meestal de boosdoener. Zo was ik ooit getuige dat in ons bekend café ‘De Schouw’ aan de Witte de Withstraat een barbaarse ruzie ontstond over een gokautomaat. Een toen nog jonge collega van mij, Piet Koster van Het Vrije Volk, werd in het conflict door een brute dronkenman neergeslagen. Met een bloedend gezicht lag hij op de grond.

Pas later bleek dat die lafhartige klap (onze Piet kon zich amper of niet verdedigen) zijn grootste geluk ter wereld werd. Op de gokkast zelf won hij namelijk - zoals zo velen - amper wat of niets. Toen hij op dat moment uitgestrekt lag, ontfermde zich een onbekende schone jonge dame over hem. Zij hielp hem overeind en verzorgde zijn wonden. Het werd liefde op het eerste gezicht. Piet en Vera trouwden later met elkaar, kregen kinderen en het werd tot in de lengte van dagen één groot stralend huwelijk…

Na die gemene rot klap heeft Piet overigens nooit meer op een gokkast gespeeld. Zo wijs was hij wel. Liefde en geluk zijn namelijk nooit te winnen op zo’n duivelse, vaak verslavende, kast. Inmiddels is mijn goede collega van destijds, dus Piet Koster, al weer enkele jaren geleden overleden.

Kemphanen
Recent was ik weer getuige, nu in café Centraal aan de Zwartjanstraat, van zo’n onbenullige caféruzie. Toevallig zat ik met mijn barkruk tussen de twee kemphanen in. Het ging om een gepensioneerde zwaarlijvige slager en een gesjeesde filosoof met een grote grijze bromsnor. De aanleiding van de barruzie was de leesbril van de overigens homofiele slager. Vervolgens gingen zij elkaar uitmaken voor ‘rotte vis’, zoals je ziet in de strips van Astrix en Obelix.

In hun scheldkanonnade werd zelfs God meerdere malen vervloekt. Totdat barkeepster Yvonne de boel probeerde te sussen door te zeggen: ‘God bestaat helemaal niet!’

De beide kemphanen werd hierdoor even de mond gesnoerd. Toen zei Yvonne: ‘God zit in jezelf..’ De filosoof dacht even na en zei toen aarzelend: ‘O, Die zit dus in je hersenen.’

Waarop de slager opnieuw begon met: ‘Dan zit Die zeker niet in jou. Want jij hebt helemaal geen hersenen!’

Nu ontplofte de filosoof tegen de slager, met: ‘Weet je wat jij bent hè. Een vuile vieze ruige varkenspoot.’

Op dat moment stond ‘Ruud de glazenwasser’ op. Een krachtpatser met het figuur van Jerommeke uit Suske en Wiske.

Onderweg naar de café-uitgang sprak hij vredelievend met zijn bekende gulle lach:

‘Heren, heren toch! Ben zo weer terug. Ik ga even twee trouwringen voor jullie halen!’


  • Nieuw

  • Reacties