Jim, Kim en het Grote Beeld

7925-jim-kim-en-het-grote-beeld (Door Henk Weltevreden)


Mister Ri, onze gids, geeft zachte duwtjes in mijn rug, alsof hij me wil sturen. Hij fluistert: ‘Go, go’.

Ik sta met Jim en Jana op de Mansudae Heuvel in Pyongyang, Noord-Korea. Het is vrijdagochtend, eind april 2010. Op de eerste dag van ons bezoek moeten we vrijwillig bloemen leggen bij het bronzen standbeeld van de Grote Leider Kim. Rechts schittert een ander standbeeld in de ochtendzon; Chollima, de mythe van het gevleugelde paard dat in hoge galop duizend Li per dag kon afleggen. Noord-Korea wil doelgerichte voortuitgang. Dit Chollima standbeeld is onthuld in het jaar Juche 50, precies op 15 april 1961, de Dag van de Zon, de glorieuze 50e verjaardag van de Grote Leider. Onze Grote Leider mompelt wat Rotterdams protest, maar hij is er, Jim Postma, hier op deze plek, samen met Jana. Ik voel me trots en blij dat Jim de daad bij het woord heeft gevevoegd. Iedereen heeft een mening over Noord-Korea, maar weinigen gaan zelf kijken. Jim wel, juist Jim en gelukkig blijft hij hier zichzelf, zoals we hem kennen.

‘Go, go,’ mompelt mister Ri opnieuw. Voor ons het gigantische standbeeld van Kameraad Kim Il Sung. (De grootvader van de tegenwoordige leider.) Daarachter het Museum van de Revolutie. Links en rechts, achter het standbeeld, kaarsrechte en bol geschoren heesters. Ze groeien in een absolute symmetrie. Hier heerst orde, regelmaat, voorspelbaarheid, dit is revolutionaire rust.


Op de foto: Buigen voor het Grote Standbeeld (30-4-10). Foto © Henk Weltevreden

We moeten doorlopen maar niet te snel: statig. Ik schat de witte trap zo'n honderd meter breed, steeds drie korte treden, even wachten en dan weer vier stappen op een breder plateau, we kijken recht vooruit. Jim glimlacht. We moeten zwijgen, vooral zwijgen. Ik hou een bos bloemen vast, duw mijn stropdas recht en kijk omhoog naar Il Sung, nog slechts tientallen meters van ons verwijderd. Mijn zwarte pak zit ongemakkelijk, ondanks dat ik het op maat had laten maken hier in Pyongyang. Het is klam, negen uur in de ochtend. Kim, de bronzen Zon van de Mensheid, staart vanaf de Mansudae Heuvel over een kilometer lang plein. Hij heeft een lange jas aan, de knopen nonchalant open, één hand op de rug. Zijn rechterhandpalm wijst vastberaden naar het zuiden, naar Seoul, zo is mij verzekerd.

Vanaf deze plek kwamen ooit televisiebeelden: de in paniek schreeuwende en huilende Noord-Koreanen op hun knieën, ze sloegen hun handen tegen de grond, de verslaggever met een bibberende stem en natte ogen, sprak woorden vol leed: ‘Hier zijn de gepijnigde zielen verzameld na het verlies van de Vader en Grote Leider.’

‘Jim…’ fluister ik en stoot hem lichtjes aan. ‘Jim… ik wil nu keihard schreeuwen: Sparta-aa! Naar voruuhhh!’

‘Als je het maar laat,’ reageert Jim, ‘dat klote Sparta! Ze martelen je dood hier… als je dan toch wil schreeuwen, vlak voor je dood, roep, knal dan volop: Feyenoooord… leve de Kuip!’

Toch lijkt het me wel wat, zo'n knallende echo, op deze plek, op dit moment. Maar dan zie ik mijn moeder in Maassluis. Ze geeft de plantjes water, een druppende vensterbank in de Rijnmond. Ze heeft ook een ansichtkaart in haar hand en leest mijn bericht. Ik hou me in. (Haal me alvast mijn nieuwe moestuin voor de geest.)

Foto: Noord-Koreanen weer op rantsoen. (Foto © Henk Weltevreden).

Mister Ri loopt nu stijf tegen me aan en bepaalt mijn tempo. Ik voel zijn wijsvinger. Kleine prikjes in mijn zij.

‘Drie-en-twintig meter,’ fluistert mister Ri, ‘Very high, zeventig ton, puur brons.’ Ik krijg geen kans om het op te schrijven. We moeten doorlopen, langzaam tot vlak voor het Grote Beeld.

Mister Ri blijft staan. Ik moet alleen verder, Jim volgt, we zoeken een plekje tussen honderden dankbetuigingen, de kleurrijke bloemen aan de voet van het beeld. Sommige bossen hebben een lint met Koreaans opschrift. Ben ik iets vergeten? Had ik aan een lint moeten denken?

Plechtig draai ik me om en wil teruglopen, maar er staat ineens een enorme rij militairen vlak voor ons, minstens vijftien man breed. Ze omringen Jana, zowel jongens als meisjes, ik schat ze onder de twintig. Ik had ze niet horen aankomen, ze stonden er ineens, stilletjes, strak kijkende ogen, zo'n gigantische colonne, zeker honderd meter lang tot ver de trappen af, Pyongyang in.

Ze dragen bloemen, zwijgen en wachten en masse tot Jim en ik klaar zijn. Jana probeert contact te krijgen. Je ziet ze wel kijken, maar ze durven alleen te zwijgen.

Mister Ri houdt zijn hand voor mijn fototoestel en duwt me vriendelijk naar de zijkant. Ook hij zwijgt.

Morgen, ja morgen gaat het gebeuren, dan zal Jana, de enige echte Jana Beranová hier op straat haar gedichten voordragen voor Radio Rijnmond. Op 1 mei is hier feest. Dan mag alles. Je moet wat in een land zonder vrijheid…

Foto's © Henk Weltevreden.

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

De telefoon


de telefoon, Jana
'Jim is dood'

gemis
is een woord
dat we niet willen

ga,
verdwijn
`als je er maar bent'

gemis
is een woord
dat we niet willen

dat je kunt zeggen
`ga met me mee'
of
`help even
die spullen
weg te zetten'

gemis
is een woord
dat we niet willen.


Jan Wagenaar

  • Nieuw

  • Reacties