De Consul

7760-de-consul (Door Alek Dabrowski)

Ongemerkt gaat de tijd voorbij. Dan besef je opeens dat de Consul al meer dan tien jaar niet meer bestaat. Ik bedoel natuurlijk het legendarische café aan de Westersingel. Het was meer dan een kroeg: danstent, restaurant, literair podium, nachtcafé en een van die plekken in de stad waar bijna alles kon. Ik kwam er vaak.


Halverwege de jaren tachtig opende De Consul. De zaak heette een filmcafé te zijn, maar volgens mij is er nooit een film vertoond. Wel stond er in een hoek een enorme filmprojector en aan de witte muren hingen filmposters. Het geheel maakte net na de opening een wat koele indruk. Gelukkig veranderde er weinig aan het interieur. De muren kregen na een paar jaar vanzelf een gezellige tabaksbruine kleur en de posters vergeelden. De natuurlijke slijtage gaf het café na een paar jaar de juiste sfeer.

Het café was vernoemd naar De Consul uit de roman ‘Under the Volcano’ van Malcolm Lowry. Het boek was ten tijde van de opening net verfilmd. Albert Finney speelde de hoofdrol in deze film over dood en alcoholisme. Hele stukken uit het boek en de film kende ik uit mijn hoofd. Vooral aan de bar van De Consul was het een sport om argeloze klanten die een biertje stonden te drinken te bestoken met luidruchtig uitgesproken citaten als: “No past, only future”, ”Mescal, said the Consul” en “Hell is my natual habitat”. Wilde je wat drinken dan kon je de barman toefluisteren: “Nothing in the world is more terrible than an empty bottle! Unless it is an empty glass”.

Wat De Consul uniek maakte was de mix van bezoekers. Er kwamen jonge gasten en oude zuipschuiten, punkachtigen en ogenschijnlijk nette mensen, arme donders en keurige lui die een vorkje kwamen prikken. Er was een periode dat er in de serre prima gegeten kon worden. Nette gasten schrokken zich echter een hoedje van de overdreven bouwvallige toiletten. En aan het eind van de avond moesten zij zich door een zwetende massa heen naar buiten wurmen. Het grote zuipen verdrong op den duur de eetcultuur.

De Consul was tot laat open. Toen er op de bovenverdieping gelegenheid tot dansen werd geboden in een ruimte genaamd Volcano kreeg het definitief de naam van een plaats waar je, ongeacht de staat van dronkenschap, altijd welkom was. Ik kwam er regelmatig. De ruimte stond volledig bol van de rook. Slechts eens in het kwartier werd een balkondeur even open gezet voor was verse luchttoevoer. Niet te lang, want de buren waren notoire klagers. Begrijpelijk, de muziek stond vrij hard. Ik had het idee dat het repertoire nogal repeterend was: een stuk of vier cassettebandjes die elke week vol enthousiasme opgezet werden. Het publiek vond het prima. Bij ‘Lust for life’ werd iedere week geprobeerd collectief het meubilair te verbouwen, tevergeefs.

Het personeel verdiende alle lof. De drukte - soms stond je onverantwoord stijf opeen gepakt - en de losse sfeer ontaarde zelden in een handgemeen. Er werden weleens verboden zaken als wapens en harddrugs aangetroffen, maar daar ontkom je niet aan in een nachtcafé. Dergelijke ongeregeldheden werden liefdevol opgelost. De gemiddelde bezoeker merkte er niets van. Eind jaren tachtig was het de beste plek om oudejaarsavond door te brengen. Eenmaal bleef ik tot het einde, met enkele volhouders die nog overeind stonden. Ik vroeg de barman of ik dat mocht doen wat ik altijd al had willen doen. We kregen toestemming en de duralexglazen vlogen door de zaak. De schervenregen was het mooiste vuurwerk van de avond. Het nieuwe jaar werd vrolijk ingeluid. “No past, only future!.”

Rinus Vuik :
Mooi, met woorden geschilderd beeld van vergane glorie Alek!!

zaterdag 22 dec 2018

Schrijf uw reactie








Type de code over:


Social media

KOPSTOOT

De mooiste gedichten van de wereld 4

50 dichters kiezen hun favoriete gedicht uit de schatkamers van Poetry International en vertellen waarom.

Jana Beranová over Vasko Popa


Een kleine hommage

Het is 1970, het 1e jaar van Poetry International.
Voor vertalingen is nog weinig geregeld. Ik lees
dat mijn landgenoot Miroslav Holub uit het Duits
is vertaald en bel op. Martin Mooij vraagt mij om
te komen. Holub kreeg van het toenmalig regiem
geen uitreisvisum. maar omdat ik ook uit andere
Slavische talen kan vertalen, bevind ik me opeens
tussen de werelddichters.

Eén kijkt me aan met van die droeve wolvenogen.
Ik wist toen nog niet dat wolven een belangrijke
rol speelden in zijn Roemeens-Servische cultuur.
Het is Vasko Popa en hij leest die avond uit
‘Spelen’ voor. Poëzie als spel met ons bestaan.
Ik lees en herlees. Tuimel van verbazing naar
verbazing. Het is Beckett, maar menselijker.
Een stoelpoot die lief gebaart! Ik zie een
keukenstoel. Allicht, fauteuils hebben armen.
Absurd. Een merkwaardige herkenning.

Van het eerste festival is op papier weinig
overgebleven, maar ‘Spelen’ zijn in mijn
vertaling opgenomen in Machine van
woorden (1975), de eerste boekuitgave
van Poetry International.

In 1974, toen hij de wolvengedichten las,
kocht ik voor hem een vaatje haringen – Popa
was dol op Hollandse nieuwe. Bij het afscheid
op Schiphol struikelde ik, het vaatje viel op de
grond en rolde naar hem toe. Hij gaf het een
tik, vaatje rolde terug en ik kon het alsnog
feestelijk overhandigen. Aan het eind van zijn
leven, hoorde ik jaren later, zat hij in winterjas
op een stoel midden in de kamer te wachten
op de dood. Dat was weer een andere stoel.



vertaling: Jana Beranová

Popa was 6x gast op Poetry International


  • Nieuw

  • Reacties